Geschiedenis
De wortels van de westerse geneeskunst, ook van de homeopathie, liggen in Griekenland. Daar leefde Hippocrates ver voor onze jaartelling en maakte al gebruik van homeopathische principes. Bijzonder was dat hij twee manieren onderscheidde waarop hij ziekte benaderde. De ene benadering was gebaseerd op onderdrukking van de symptomen, de andere was gebaseerd op het stimuleren van de genezende aanleg in het menselijke lichaam. De klassieke homeopathie past bij de laatste benaderingsvorm.
Een groot criticus van de eerste benadering, die van de onderdrukking, was Paracelsus. Paracelsus was een Zwitserse arts die rond het eind van de Middeleeuwen leefde. Door scherpe waarneming zag hij dat de onderdrukkende methode niet veel heil bracht en de mens eerder verzwakte dan hem beter maakte. Hij toonde door succesvolle genezingen aan dat het homeopathische principe van 'similia similibus curantur' beter werkte: door middelen te gebruiken die bij inname door een gezond mens een bepaald symptoombeeld kon oproepen, kon je mensen genezen die ziek waren met een overeenkomend symptoombeeld.
Rond het jaar 1800 leefde in Duitsland de arts Samuel Hahnemann. Ook hij kwam door experimenten tot dezelfde regel als Paracelsus dat aan het einde van de Middeleeuwen al deed. Hahnemann heeft deze methode verder geperfectioneerd en wordt dan ook gezien als de grondlegger van de homeopathie.


